Akkermansgilde Venlo 

Aan het begin van onze jaartelling ligt aan de Maas een klein Romeins dorpje, met als functie de beveiliging van de oversteekplaats van de rivier. De weinige gebouwen liggen op een klein wat hoger gelegen gebied en daarom veilig tegen het van tijd tot tijd sterk stijgende water van de Maas. Bij dit dorpje – waarvan geen naam overgeleverd is – kruisen verschillende doorgaande Romeinse wegen elkaar. Aan de overzijde van de Maas ligt een andere Romeinse nederzetting: Blariacum (Blerick). In de loop der tijd groeit de militaire post op de Venlose Maasoever uit tot een kleine handelsnederzetting. Als de Romeinen rond 300 vertrekken vervalt het dorpje langzaam maar zeker. Er is weinig of niets bekend over de bewoners en het leven van de eerste middeleeuwse Venlonaren. Uit de tijd rond het jaar 1000 stamt de eerste vermelding van de plaatsnaam Venlo. In de periode 1250 – 1300 ontstond hier aan de maas een echt handelsplaatsje. Het centrum van dit handelsplaatsje lag rondom de tegenwoordige Jodenstraat en de Oude Markt. Vlakbij lag, beschermd door het eilandje De Waar, de Maashaven. Vanaf de havenkade kon men het veerschip naar herberg ‘De Staay’ op de Blerickse oever nemen. Venlose schippers bevoeren de Maas over grote afstanden en dreven handel met de inwoners van talloze plaatsen.

 

De graaf van Gelre had rond het jaar 1250 in Venlo een versterkt huis (een ‘hof’) gebouwd van waaruit hij zijn bezittingen beheerde en waar hij gasten ontving. In 1343 gaf hertog Reinald II van Gelre in een officiële gezegelde brief (oorkonde) stadsrechten aan Venlo: dat hield onder meer in dat de Venlose handel werd beschermd, dat er markten mochten worden gehouden en dat de inwoners voortaan een eigen bestuur mochten gaan vormen. Dankzij deze voorrechten groeide Venlo tussen 1350 en 1500 uit tot een van de belangrijkste steden van het toenmalige hertogdom Gelre. Er werd een dikke en hoge bakstenen muur rondom de stad gebouwd, die de inwoners en goederen moest beschermen tegen bandieten en belegeraars. In de muur werden aan vier zijden poorten gebouwd: de Maaspoort, de Laarpoort, de Tegelpoort en de Helpoort. In de stad woonden toen ongeveer vier- tot vijfduizend mensen. Bijna alle huizen waren van hout en leem met een voortdurend gevaar voor brand.

 

Na de Middeleeuwen eindigde de bloeiperiode van Venlo. Na 1543 brak een lange periode van oorlogen, economische crisis en instorten van de handel aan. Rond 1600 maakt Venlo onder de Spanjaarden wederom een bloeiperiode door: er werd een prachtig nieuw stadhuis gebouwd en er kwam een Latijnse School (nu het ‘Ald Weishoes’), een nieuw Sint-Jorisgasthuis, een Minderbroedersklooster, een nieuw vleeshuis en er werd zelfs een prachtige fontein op de Markt gebouwd.

Historie

In vroegere eeuwen waren alle handwerkslieden verenigd in gilden, zoals de timmerlieden, de slagers, de wolwevers enz. Zo waren de Akkermannen of boeren, ook wel ‘Huijslieden’ genoemd, opgenomen in het Gilde der Akkermannen. Zij woonden buiten de stadsmuren en bewerkten daar hun akkers. Om hun have en goed te kunnen beschermen tegen rondtrekkende roverbendes waren zij bewapend. Zij genoten bescherming van de Magistraat van de Stad en dienden daarvoor hand- en spandiensten te verlenen: Dit kwam er in hoofdzaak op neer dat zij met hun kar en paard het vervoer voor de stad deden. Zo moesten zij ook het Galgeraam vervoeren als een misdadiger ter dood was veroordeeld. De voornaamste bezitting van het Gilde was de ‘Verrekamp’, een stuk akkergrond. Het werd verpacht met de verplichting er een stier op te hoeden, ten dienste van het Gilde. Eenmaal per jaar dienden de Akkermannen schatting te betalen aan de magistraat. Dit gebeurde in natura: de producten van hun akkers (Het huidige Gilde betaalt nog steeds schatting aan de stad). Tijdens de jaarlijkse viering van het Koningsfeest gaat het Gilde naar het Stadhuis met een mand groente. Zij worden dan net als vroeger ontvangen met bier, brood en kaas.

 

Het Akkermansgilde is veel ouder dan menigeen denkt. In een schepenakte van 1388 wordt het gilde voor het eerst vermeld. Toentertijd heette het niet het Akkermansgilde, maar het Onze-Lieve Vrouw-Broederschap Ingen Daell. (Veel schuttersgilden zijn namelijk uit religieuze broederschappen ontstaan).

 

Op 14 augustus 1595 werd de katholieke broederschap door de magistraat als gilde erkend. Waarschijnlijk moet deze erkenning tegen de achtergrond van de Contra Reformatie worden geplaatst. De Tachtigjarige oorlog (1568-1948), waarbij de tegenstellingen tussen katholieken en protestanten op de voorgrond traden, was op dat moment in volle gang. Om de misstanden binnen de katholieke kerk een halt toe te roepen en de mensen weer terug te brengen tot de katholieke leer werd in 1585 in de Spaanse Nederlanden, waarvan Venlo deel uitmaakte met de Contra Reformatie gestart.

 

Het Akkermansgilde is het enige van de 18 gilden van de stad Venlo, dat de woelige tijden heeft weten te overleven en dat op de dag van vandaag nog bestaat. Op het einde van de negentiende eeuw is het in ruste gegaan. In het begin der twintiger jaren werd door de toenmalige burgemeester Van Rijn het Akkermansgilde weer nieuw leven ingeblazen. Men kreeg de opdracht de stadsreuzen Flujas en zijn vrouw, die in het souterrain van het stadhuis waren opgeslagen, op te knappen voor de presentatie van Venlo.

 

Het huidige Gilde bestaat uit veertig leden en staat bol van tradities, die dan ook, zo mogelijk strikt worden nageleefd. In 1974 zijn de vorige statuten, welke dateerden van 1886, omgewerkt tot in deze tijd hanteerbare beleidslijnen van het Gilde. Naast de eigen activiteiten aan het gilde, hechtte men ook grote waarde aan het sociale leven. Er was een zogenaamde ziekenkas, waaraan iedere gildenman maandelijks moest betalen. Dit fonds diende ter ondersteuning van gezinnen, waarvan het hoofd overleden was of door ziekte niet in staat was zijn gezin te onderhouden. Tevens waren de Akkermannen verplicht de akkers van een getroffen lid te onderhouden.

 

Jaarlijks biedt het Gilde aan de Venlose bevolking een feestweekeinde aan, bestaande uit het koningsfeest met alle tradities en feestelijkheden er om heen. Het Gilde haalt dan de regerende koning thuis af en trekt dan met Flujas en zijn vrouw naar het stadhuis om daar de jaarlijkse schatting te betalen. Dan wordt de koning door de Burgemeester getooid met de zilveren kroon en staf. (Dit zilver heeft een grote waarde. De kroon is een stuk zilver smeedwerk uit de zeventiende eeuw en de knop van de koningsstaf uit de vijftiende eeuw, uitbeeldend Sint Urbanus en de Onze Lieve Vrouwe van Ingendael). Daarna gaat men naar het schietterrein en wordt op de houten vogel geschoten tot er een nieuwe Koning bekend is. De gildenman, die drie jaar achter elkaar koning wordt, krijgt de titel van keizer. Deze titel geldt voor het leven. Daags na het koningsfeest is er een schietwedstrijd voor alle verenigingen en clubs uit de gemeente Venlo. Dit is een waar volksfeest en wordt dan ook ieder jaar druk bezocht.

 

Reeds vroeg kende het Gilde een aantal tradities, zoals het vogelschieten. In 1617 was Berndt Trippemeecker koning van het Gilde. Hij is tot dusverre de oudste bekende koning.

 

Het Gilde liep voorop in de Sacramentsprocessie en de Mariaprocessie. Sinds de tweede helft van de achttiende eeuw treedt het Gilde op als begeleider van de stadsreuzen Flujas en zijn vrouw.

 

Naast de voornoemde activiteiten verrichtte het Gilde een aantal hand- en spandiensten voor de stad. Een dag in het voorjaar en een dag in het najaar moesten de Gildenbroeders gratis werkzaamheden verrichten. Heel bijzonder was de verplichting dat het Gilde de galg op de executieplaats, gelegen op de berg in de buurt van huize Stalberg, moest oprichten.

 

Tot in de twintiger jaren van de vorige eeuw zou het gilde rusten. In 1920 werd het conflict tussen de gemeente en het gilde over een stuk land, de Verrekamp genaamd, opgelost. Volgens het gilde bezat zij het eigendomsrecht, volgens de gemeente hadden de Akkermannen slechts het recht van vruchtgebruik. Het gilde stond het grondstuk af aan de gemeente. In ruil hiervoor ontving zij tot 1944 een jaarlijkse subsidie. De activiteiten werden in 1923 weer hervat. In 1925 en 1928 werden respectievelijk het 330- en 333-jarig bestaansfeest gevierd.

 

Tijdens de tweede wereldoorlog (1940-1945) rustte het Gilde noodgedwongen. Wel is in deze periode waarschijnlijk de naam ‘Guntruud’ voor de vrouw van Fluas in zwang geraakt. Na de bevrijding werd de draad snel weer opgepakt en in 1945 werd het 350-jarig bestaansfeest gevierd, tegelijk met de officiële bevrijdingsfeesten.

 

De omgeving van het schietterrein aan de Stalbergweg raakte langzamerhand volgebouwd en daarom moest naar een ander terrein worden uitgekeken. Dat werd uiteindelijk in 1964 gevonden aan de Louisenburgweg. In datzelfde jaar werd tevens de gildekapel opgericht. Twee jaar later werden nieuwe uniformen aangeschaft, waarvan het model tot op heden nauwelijks is veranderd.

 

In 1969 werd het 375-jarig bestaansfeest gevierd. In 1987 had het Akkermansgilde uit Venlo de eer om het 50-jarig bestaansfeest van de Oud Limburgse Schuttersfederatie te mogen organiseren en dat was toch zeker een voorrecht.

 

In 1994 volgde wederom een hoogtepunt in het bestaan van het Akkermansgilde, toen het 400-jarig bestaansfeest werd gevierd van het Gilde met een deelname van 44 verenigingen uit zowel de bondsgelederen, alsmede verenigingen uit Gelderland en Noord-Brabant.

De tegenwoordige tijd

Het Gilde is lid van de Noord-Limburgse bond van Schutterijen ‘Juliana’. De huidige activiteiten van het Gilde bestaan uit het deelnemen aan de bondsschuttersfeest, het Oud Limburgs Schuttersfeest, onderlinge schietwedstrijden en deelname aan optochten ter presentatie van Venlo in binnen- en buitenland. Uit dit alles is te concluderen dat het Gilde niet zo maar een vereniging is, maar een instituut dat niet uit de stad Venlo weg te denken is.