Broederschap Sint Urbanus Belfeld 

Vanaf de zestiende eeuw is de gemeente Belfeld onderverdeeld geweest in een drietal woonkernen, oorspronkelijk ‘rotten’ genoemd: Belfeld-dorp, Geloo en Het Broek. Belfeld of het ‘dorp’- vlak aan de Maas gelegen – bestond in de zestiende eeuw wellicht uit niet meer dan een tiental boerderijen gelegen aan of in de nabijheid van ‘de Baene’ (de grote weg) van Roermond naar Venlo. Geloo was veel groter dan Belfeld en telde circa 30 boerderijen. Zolang de landbouw (tot ongeveer 1900) het hoofdmiddel van bestaan vormde, overvleugelde Geloo Belfeld in het aantal inwoners. Een derde groep van ongeveer een twintigtal verspreid liggende huizen werd gevormd door de buurtschap ‘Het Broek’, ook aangeduid als Bolenberg of Hoven.

 

De in 1817 aan Belfeld toegevoegde gronden, die oorspronkelijk tot het Pruisische Kaldenkirchen behoorden, bleken voor de keramische nijverheid van groot belang te zijn. Met name de kleilagen in het hoogterras dat een groot deel van de noordoost hoek van Belfeld beslaat, betekende een gunstige vestigingsfactor voor deze bedrijven. Niet alleen in Tegelen, maar ook in Belfeld heeft de keramische industrie een grote rol gespeeld in de ontwikkeling. De groei aan arbeidsplaatsen zorgde voor een explosieve bevolkingstoename. In 1862 vestigde zich de eerste ‘pannesjop’ in Belfeld. De bedrijven kozen vooral het heideterrein uit tussen de kernen Belfeld en Geloo om hun ondernemingen te vestigen. Ten behoeve van de grondstoffenvoorziening werd een drietal tramverbindingen aangelegd naar het hoogterras waar de klei in aanvankelijk kleinschalige groeven gewonnen werd. Aanvankelijk waren deze bedrijven seizoensgebonden. Daarom kwam rond 1900 de combinatie van arbeider-boer veelvuldig voor. Ook indirect zwengelde de industrialisatie de verdere ontwikkeling van Belfeld aan. Wegen werden vernieuwd of aangelegd voor het goederenvervoer. Ook nieuwe gebouwen hielden gelijke tred met de groei: de loswal (1876), de school (1890), het station (1894), het postkantoor (1906), een nieuwe kerk (1912), het gemeentehuis (1916), de meisjesschool (1917) en de kleuterschool (1930). De oude kern tussen de spoorlijn en de Maas bood niet voldoende ruimte om alle nieuwbouw een plaats te bieden. Als gevolg daarvan ontwikkelde zich lintbebouwing langs de belangrijkste hoofdwegen zoals de Rijksweg, Schoolstraat, Julianastraat en Wilhelminastraat. Aan het begin van de twintigste eeuw werd in Belfeld voor het eerst een marktplein aangelegd voor het raadhuis.

 

Net als elders in deze streek stonden de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog vooral in het teken van een snel herstel van de geleden schade. De gemeente lag vanaf oktober 1944 tot maart 1945 in de frontlinie. Vooral de oude dorpskern aan de Maas had schade opgelopen. Het gemeentebestuur stond voor belangrijke keuzes die de aanblik van Belfeld in de daarop volgende decennia volledig zouden veranderen. Door de aanleg van de rijksweg en de spoorlijn waren twee barrières in het dorp opgeworpen, die de kom in drieën splitsten. Stedenbouwkundig gezien zou een uitbreiding van de bebouwing aan de oostzijde van de spoorweg moeten plaatsvinden. Door de verwoesting van de kerk kon namelijk gemakkelijker een nieuw centrum gevormd worden aan die oostzijde. De nieuwe kerk met omliggende bebouwing in de vorm van winkels en 400 woningen kwam meer centraal tussen Belfeld en Geloo te liggen. Als gevolg van deze geheel nieuwe opzet kreeg Belfeld meer het uiterlijk van een nieuwbouwwijk dan van een oud Maasdorp. Overigens liet de detailhandel zich niet verplaatsen naar het gebied rond de kerk. Veel ondernemers bleven gevestigd aan het Marktplein en de Julianastraat. Hierdoor ontstonden in feite twee winkelgebieden die elkaar niet versterkten maar eerder tegenwerkten. Sloop van bedrijfsgebouwen en woningen maakten na 1970 de vorming van een drietal pleinen mogelijk waardoor de lintbebouwing doorbroken kon worden. Op de plaats van de pannenfabriek van de Gebroeders Van Cleef ontstond het Hamarplein, terwijl de aan dit plein gelegen gebouwen van Meubelindustrie Stevens tot aan het nieuw gemeentehuis - annex - gemeenschapscentrum met sportzaal werden verbouwd.

De Broederschap Sint Urbanus Belfeld

Wanneer de Belfeldse broederschap Sint Urbanus, werd opgericht is niet exact te zeggen, maar in een oud document van de parochie Tegelen wordt op 18 juni 1533 vermeld dat Belfeld een kapel heeft en dat er verder geen stichtingen bestaan. ‘Nur die broderschaften underhalden 3 oder 4 priester und die vergeven ouch die officien’Es gibt etliche broderschaften’ staat er verder te lezen. Uit het gegeven dat de kapel van Belfeld al in 1524 drie maal per week een Heilige Mis heeft met daaraan verbonden inkomsten voor een priester, mag worden geconcludeerd dat Belfeld een broederschap had, die de zaken in de Sint Urbanuskapel regelde. Na de oprichting van de parochie Belfeld, kwam die taak in handen van de heren van de Holtmühle. Van een broederschap is dan geen sprake meer.

 

‘Broederschap Sint Urbanus gaat uit van oprichtingsjaar 1651. Op het zilveren gekroonde vogeltje van het koningszilver staat 1653. Gevoeglijk mag worden aangenomen dat een jaar eerder, in 1652, al ‘op den vogel’ is geschoten en de broederschap het hieraan voorafgaande jaar werd opgericht.’

 

Staatkundig gezien werd de broederschap opgericht drie jaren na het beëindigen van de Tachtigjarige oorlog. Dit betekende echter niet dat het een vreedzame tijd was. Vooral nadat de Franse zonnekoning Lodewijk de XIV in de jaren 1673-1679 in een oorlog verwikkeld raakte met de Zeven Provincien, was Noord-Limburg opnieuw het toneel van allerlei krijgshandelingen.

 

Met de groei van het aantal schutterijen in de streek in de negentiende eeuw werden er vaker onderlinge toernooien georganiseerd. Om hier goed voor de dag te komen, werden naast de nodige geweren ook keurige uniformen aangeschaft. Voor zover bekend nam Sint Urbanus in 1880 voor het eerst deel aan een dergelijk schuttersfestijn in Helden. In de zomer van 1897 organiseerde Sint Urbanus zelf een schuttersfeest in Belfeld, dat prompt een groot tekort opleverde op de begroting.

 

Omdat het archief van de vereniging in de Tweede Wereldoorlog verloren ging, restten slechts sporadisch gegevens. Wel is terug te vinden dat in 1935 een nieuw vaandel besteld werd van 120 gulden en dat de vereniging in 1936

85 leden telde. Geschoten werd er vanaf mei 1940 niet meer. De Belfeldse burgemeester, Piet van de Berg, nam na de Duitse inval namelijk direct maatregelen om eventueel verzet de kop in te drukken. De schutterij moest haar buks inleveren, waarmee ze feitelijk ophield te bestaan. Op 30 juni 1941 vond de laatste ledenvergadering in oorlogstijd plaats.

 

Op 9 oktober 1945 vond de eerste ledenvergadering na de oorlog plaats en in 1951 werd het 300-jarig bestaansfeest gevierd. Sint Urbanus telde op dat moment 62 leden.

 

Dat de broederschap Sint Urbanus sterk verankerd is in de Belfeldse gemeenschap bleek eens te meer in 1958, toen tachtig procent van de baten uit een georganiseerd bondsfeest aan het Belfeldse Groene Kruis werden geschonken als bijdrage voor de bouw van een nieuw onderkomen.

 

Voor de schutterij was 1974 een belangrijk jaar. De Belfeldenaren verhuisden toen naar een nieuw schietterrein in de buurtschap ‘’t Hoppert’. Daar werd twee jaar later ook op grootse wijze het 325-jarig bestaansfeest gevierd. Onderdeel van deze viering was, net als vijfentwintig jaar geleden, een receptie in het Witte Paard, die door tal van schuttersdeputaties uit de omliggende plaatsen werd bezocht. Vanwege het jubileum mocht Sint Urbanus in augustus van datzelfde jaar een regionaal schuttersfeest organiseren, waaraan twintig schutterijen deelnamen. ’s Zondags trok een kleurrijke optocht vanaf het feestterrein aan de Bolenbergweg door Belfeld.

 

Eind jaren zeventig gebeurde er meer. Het korps kreeg nieuwe uniformen en op het Oud Limburgs Schuttersfeest werden voor het eerst 17 punten geschoten. Op het schietterrein werd het aantal schietbomen uitgebreid tot acht. Ook 1983 kreeg een speciale vermelding in de analen van de schutterij, omdat toen op het Oud Limburgs Schuttersfeest voor de eerste keer 18 punten werden geschoten. Vier jaar later werd dit resultaat overtroffen, toen Sint Urbanus een achtste plaats in de wacht wist te slepen.

 

De schietprestaties van de schutters van Sint Urbanus zijn wisselvallig te noemen. Zo kende men jaren dat ze niet te kloppen waren. Met name in het jaar 1989 wisten zij alle drie de bondsschuttersfeesten (Grubbenvorst - Baarlo en Grashoek) winnend af te sluiten, terwijl er jaren verstreken dat de schietprestaties niet “om over naar huis te schrijven” waren.

Uniformering

Tegen het einde van de negentiende eeuw gingen veel schutters, die tot dan toe in zondagspak met pet en sjerp gehuld waren, zich voorzien van militaire onderscheidingstekens. Ze staken zich in allerlei uniformen, maar van enigerlei uniformiteit was absoluut geen sprake. Men streefde naar een volledige uniformering van alle schutters, omdat het het groepsgevoel versterkte en bij wedstrijden herkenbaarheid in de hand werkte. In Belfeld was dit tot eind jaren veertig alleen een pet en bij speciale gelegenheden een lans met een ijzeren punt met daaraan een rood-wit-blauw vaantje. Alleen de officieren en de vaandrig droegen veelal een sabel en sjerpen (blauw om het middel en geel van de schouder af) en witte broeken. De tamboer-majoor was herkenbaar aan een stok met koperen bol en punt, gouden koorden en kwasten.

 

Het eerste burgeruniform was grijs. Na deze grijze burgerpakken werden er in 1966 groen/beige fantasie uniformen aangeschaft. Eind jaren zeventig besloot men om over te stappen op historische gildenkleding. Het bestuur ging op zoek naar ideeën en ontwerpen die bij de schutterij pasten. Dankzij allerlei speciale acties werd geld ingezameld. In 1979 stond een in het nieuw gestoken schutterij klaar om voor de eerste keer tijdens het vogelschieten hun keuze aan de Belfelde bevolking te laten zien. Die keuze bestond uit een lange paarse jas met zwarte kniebroek. Een uitdossing, die was geënt op het zondagse pak van de burger in de zeventiende eeuw, de eeuw van het ontstaan van de vereniging en als zodanig terug te vinden op een afbeelding op het zilver uit die tijd. Trots marcheerde de schutterij achter het korps en de harmonie naar het schuttersterrein om te bepalen wie de eerste koning in een historisch uniform zou worden. Tot in het begin van de jaren negentig werden deze uniformen gedragen. In 1993 werden ze vervangen door de huidige - eveneens historische – gildenkleding, bestaande uit een kort model paars jasje met een zwarte kniebroek.

 

Om doorgelinkt te worden naar de website van de Broederschap Sint Urabanus Belfeld klik hier!