De stamboom van schutterijen 

In de twaalfde eeuw ontstonden in beperkte mate schuttersgilden die in grote mate voortvloeiden uit broederschappen. Ze bestonden uit een groep mannen die tot taak hadden om met goedkeuring van hun heer een leefgemeenschap in de ruimste zin van het woord te beschutten. Dit gebeurde met de, voor die tijd, beste wapens die men voorhanden had. In deze periode bleken dat voornamelijk kruisbogen te zijn. Ondanks rechten hadden die schuttersgilden zeker ook plichten. Zo waren ze strikte gehoorzaamheid verschuldigd aan het wettig gezag.

 

In de veertiende eeuw werd Vlaanderen bezet en fors uitgebuit door de Franse koning. Dit leidde uiteindelijk tot een opstand met als hoogtepunt de Gulden Sporenslag in 1302 te Kortrijk, waar de boeren en ambachtslieden het Franse ridderleger hebben verslagen. Dit nieuws ging rond en in diverse noordelijke steden werden bestuurders door burgers uit hun functie gezet. Hertog Jan II wist uiteindelijk de orde te herstellen. Er ontstond behoefte aan een door en door betrouwbaar korps dat de bestuurders in tijden van onrust ter zijde kon staan. De bevolking had inmiddels ook behoefte aan een gedisciplineerde burgerwacht om hen voor gevaren op straat en velden te kunnen beschutten. Dit waren belangrijke redenen voor het in deze periode veelvuldig ontstaan van de schuttersgilden. Het is vaak niet duidelijk welke groep mensen het initiatief nam voor het oprichten van zo'n schuttersgroep. De stad? Het kerkelijk gezag? Gildenbroeders? Een reeds eerder bestaande broederschap? Voor gilden en schutterijen ligt de oorsprong verschillend en is dit vaak zelfs niet te achterhalen. Overigens is het ook zo dat deze schuttersgroepen voornamelijk in steden ontstonden, omdat zij gesteund werden door het lokale gezag. Het is wel zo dat hierdoor in een later stadium de omliggende dorpen zich ook van een dergelijke beschutting gingen voorzien, al was het niet zo geordend als in een stad.

 

In de vijftiende eeuw kwamen de schuttersgilden tot volle wasdom met een groot uiterlijk vertoon. De ware reden schuilt echter in de onderlinge mens-mens verhoudingen in relatie tot het geloofsleven. Tijdens het bewind van Philips de Goede werd de macht gecentraliseerd, waardoor de zelfstandige positie van de steden verzwakte. Philips had niet zo'n behoefte aan de schutterijen. Ze mochten bestaan maar in beperkte omvang, net groot genoeg om de stadsdiensten te vervullen. Kruisboogschutters werden bovendien door de ingebruikname van vuurwapens minder belangrijk.

 

Na de vijftiende eeuw kwam de ontwikkeling van schuttersgilden tot stilstand, of ging achteruit of verdween zelfs. Door ruzie ontstonden afsplitsingen, wat resulteerde tot de oprichting van nieuwe schutterijen. Deze ruzies vloeiden voort uit gebrek aan gemeenschappelijke vriendschapsbanden en te weinig kennis van cultuurhistorische waarden .

 

In de negentiende eeuw zien we een opleving van schutterijen als gevolg van een wet in 1827, die bepaalde dat rustende schutterijen moesten worden heropgericht. Overigens werd rond 1815 reeds aanzet gegeven tot het oprichten van schutterijen in steden door het regerend gezag om de stad te beschermen in tijden van oorlog en gevaar. In 1901 werd er een wet uitgevaardigd dat er een landweer tot stand moest komen. De opheffing van de dienstdoende schutterijen was hiermee een feit. Het is niet duidelijk aan te tonen dat het gebruik van uniformen, dat begin van de twintigste eeuw toenam, en het militair vertoon gerelateerd is aan deze schutterijen. Er zijn geen duidelijke onderlinge banden te vinden tussen de rustende en dienstdoende schutterijen. Bij de rustende schutterijen waren de uniformen niet verplicht, maar kennelijk hebben ze een en ander toch vrijwillig overgenomen. Ook nu zien we weer dat voornamelijk de steden zo'n schutterij oprichtten. De omliggende dorpen zagen dit ontstaan. Zij zagen het nut er wel van in en begonnen ook, zij het in een latere periode, met het oprichten van schutterijen. In een dorp gebeurde dit meer uit gemeenschapszin dan uit een vanuit het gemeentebestuur ontwikkelde organisatie. Financiën speelden dan ook een grote rol (in een later tijdperk) voor het ontstaan van schutterijen dan ook een grotere rol dan in de steden. dan in de steden. In de late negentiende en begin twintigste eeuw beginnen de schutterijen zich te verenigen in schuttersbonden.

 

Vaak wordt gedacht dat schuttersgilden gelijk met de parochiekerken zijn ontstaan om die te beschermen. Zoals we in voorgaand verhaal konden lezen is dit lang niet altijd het geval geweest. Vaak is die binding met de kerk juist later ontstaan. Daar waar de kerk de schuttersgilden niet gebruikte, moest deze niet veel van ze hebben en beschouwde ze als ketters. Dat kwam met name omdat hun schuttersfeesten op de zondag plaatsvonden, wat zeker in die tijd hoog werd opgenomen. De gereformeerden probeerden ook voet aan de grond te krijgen in Limburg als gevolg van de overheersing van de heren van Brabant. Zij leverden gereformeerde bestuurders die de gereformeerde kerk meenamen. Deze kerk probeerde leden te werven onder de "ketterse" schutterijen door deze een functie in de kerk aan te bieden. Zo kwam het dat de katholieke kerk, waar dat althans nog niet het geval was, de schutters plots aan zich ging binden door ze in de processie het allerheiligste te laten "bewaken", het allerheiligste is een monstrans met een hostie erin, die vereerd wordt door de gelovigen. Mede hierdoor is er een binding met de kerk ontstaan en is deze sindsdien niet meer uit het schutterwezen verdwenen. Nog steeds heeft de schutterij een functie binnen het kerkelijke al wordt dat per schutterij of dorp anders ingevuld. Hoe een schutterij zich presenteert verschilt ook sterk per dorp.

Vergelijking tussen schutterijen

Het is inmiddels wel duidelijk geworden, dat de diverse schutterijen, zoals ze thans bestaan, ‘gemeenschappelijke voorouders’ hebben. De wortels van het schutters- en gildenwezen zouden in Vlaanderen en Brabant liggen, waar in het begin van de veertiende eeuw de eerste schutterijen ontstaan zijn. Op zijn beurt wortelt het schutterswezen in de gilden. De stedelijke nijverheid was opgebouwd rondom de ambachtsgilden in de stad. Vanuit Vlaanderen en Brabant is het schutters- en gildenwezen verspreid over de diverse steden. Hier hebben de schutterijen enkele eeuwen lang bepaalde functies vervuld.

 

Vanuit de steden raakt het schutterswezen verspreid over het platteland. Al in de veertiende eeuw komen wij schutterijen in de dorpen tegen, ook in Limburg. Veel van de plattelandsschutterijen zijn tot op heden blijven bestaan. Ondanks dezelfde herkomst heeft elke streek met z’n schutterijen een eigen ontwikkeling doorgemaakt. Dat de schutterijen heden ten dage niet alle dezelfde verschijningsvorm hebben, blijkt bij een vergelijking tussen de schutterijen, zoals ze vandaag de dag in diverse landstreken en landen voorkomen.

Brabantse schuttersgilden

Als we de Limburgse schutterij met de Brabantse schuttersgilden vergelijken, valt op dat de Brabanders zich doorgaans in gildenkleding vertonen. In de optocht wordt het gilde voorafgegaan door een of twee tamboers met een zware trom. Er wordt niet gemarcheerd, maar de Brabanders schrijden voort op het monotone ritme van de gildentrom. Dikwijls maakt een aantal vendeliers deel uit van het gilde. In Brabant wordt grote waarde gehecht aan oud koningszilver en oude geschriften.

Kempische gilden

In de Kempen komen diverse gilden voor, die gekleed gaan in de blauwe boerenkiel, voorzien van rode zakdoek rond de nek en met zwarte pet. Deze gilden hechten niet zo’n grote waarde aan het uiterlijk vertoon. Zij zijn er voornamelijk voor het eigen dorp en het onderlinge vermaak.

De ‘Schützengesellschaften’ in België

De zogenaamde ‘Ostkantons’, dit is de Duitstalige streek rond Eupen, kent haar eigen ‘Schützengesellschaften’. Deze gaan vaak gekleed in een zwart kostuum met een hoge hoed op. Een sjerp en diverse medailles completeren het beeld. Deze schutterijen zijn niet voorzien van muziekkorpsen, of men beperkt zich tot een enkele tamboer per vereniging.

Verre verspreiding van het schutters- en gildewezen

Het schutters- en gildewezen is verder verbreid dan boven beschreven. In Nederland zijn bijvoorbeeld ook schuttersgilden in Zeeland en Gelderland. Internationaal gezien komen wij buiten Nederland, België en Duitsland schutterijen tegen van Noord-Frankrijk, Oostenrijk, Noord-Italië tot in Polen. De stamboom van de schutterijen is dus enorm groot geworden en de takken zijn zeer talrijk en wijdvertakt. Op vele plaatsen, verspreid over met name Noord-West Europa, zijn schutterijen actief. De schuttersboom bloeit als nooit tevoren.

Heropleving van het schutterswezen sinds 1870

Vanaf het midden van de negentiende eeuw vonden er ingrijpende wijzigingen plaats binnen het

schutterswezen, die zorgden voor een ongekende bloei. Nieuwe elementen werden toegevoegd en oude elementen werden in een nieuw jasje gestoken.

De invloed van de zware buks en het prijsschieten

De opvallende veranderingen kwamen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Op diverse plaatsen werd naast de gebruikelijke activiteiten het prijsvogelschieten georganiseerd. Wie deze vogel afschoot werd niet de nieuwe koning van de schutterij, maar de winnaar kreeg een prijs, variërend van een gebruiksvoorwerp tot geld.

 

De schutterijen hanteerden achterladers of andere militaire geweren, maar rond 1870 werd als nieuw wapen de zogenaamde zware buks gehanteerd. Deze buks werd niet meer in de optocht meegedragen in verband met het gewicht en de vorm van deze schuttersbuksen. De proppen voor de kogels voor deze geweren werden vanwege de uitzonderlijke maten door de schutters zelf gegoten en hierbij werden hulzen gebruikt, die speciaal voor die zware buks gemaakt zijn.

 

De kwaliteit van deze wedstrijdbuks zou natuurlijk in de loop der jaren aanzienlijk verbeterd worden met de eigentijdse mogelijkheden tot richtmiddelen, lading en dergelijke, wat natuurlijk ook zorgt voor betere schietprestaties.

Opkomst van het schuttersfeest

Bovendien werden er in deze tijd al schuttersfeesten gehouden, waarvoor de schutterijen in de omliggende dorpen uitgenodigd werden. Bij gelegenheid van deze feesten trok een optocht door het dorp van de organiserende schutterij, waarin naast de deelnemende schutterijen ook de overige culturele verenigingen uit het dorp meetrokken. Na de optocht kwam de schietwedstrijd aan de beurt. Hier werden dikwijls behoorlijke geldprijzen voor uitgeloofd. Het schuttersfeest ontwikkelde zich in sneltreinvaart. Hoewel de schuttersfeeste n in de beginfase slechts incidenteel bezocht werden, binnen een tiental jaren sas dit feest een van de belangrijkste activiteiten van de schutterijen. De deelname van schutterijen nam enorm toe en er werden behalve voor het schieten diverse andere prijzen uitgereikt, zoals voor de beste optocht, de mooiste generaal, de beste tambour-maître enzovoort.

Nieuwe en oude schutterijen opgericht

Er vindt als gevolg van een aantal zaken tegelijk een enorme opleving plaats van het gehele schutterswezen. In het laatste kwart van de negentiende en het eerste kwart van de twintigste eeuw worden zeer veel schutterijen nieuw opgericht of worden oude - niet meer actieve - schutterijen nieuw leven ingeblazen. Op tal van plaatsen steekt het schutterswezen de kop op en worden er meer schutterijen dan ooit tevoren opgericht.

 

Het Limburgse platteland kende een enorm normen- en waardepatroon dat sterk door het rooms-katholicisme gevoed werd. Bisschop Paredis van Roermond trachtte de invloed van de rooms-katholieke kerk nog uit te breiden en slaagde hier op het platteland het beste in. Met deze uitbreiding van de kerkelijke invloed in het laatste kwart van de negentiende eeuw kregen de schutterijen met de rooms-katholieke kerk een innige band.

Van zondagspak naar uniform

De schutterijen kenden in het verleden vaak een militaire rangindeling. Tegen het einde van de negentiende eeuw gaat de schutterij, die tot dan toe in zondags pak met pet en sjerp gehuld was, zich steeds meer voorzien van militaire onderscheidingstekens.

 

In Zuid-Limburg vindt deze ontwikkeling vlak na 1900 plaats. Het uniform van de schutterij zorgde voor een saamhorigheidsgevoel, wanneer de schutterij uittrok. De schutterij werd herkenbaar in de optocht van een schuttersfeest als zij in een ander dorp marcheerde en zich tijdens dit feest mat met andere schutterijen. Bovendien was het een uiting van het militaire karakter, dat kenmerkend is voor de Limburgse schutterijen, waar met name in Zuid-Limburg sterk de nadruk op werd gelegd.

Oprichting van schuttersbonden

Naarmate de grote internationale schuttersfeesten aan populariteit wonnen, werden dergelijke feesten steeds meer en steeds vaker georganiseerd. Om de wildgroei van schuttersfeesten te regelen en om ervoor te zorgen dat de feesten goed georganiseerd werden, werden de eerste schuttersbonden opgericht. De schutterijen, die zich bij een schuttersbond aansloten, verplichtten zich elkaars schuttersfeesten te bezoeken. Volgens een rooster kwamen alle bij de bond aangesloten verenigingen aan de beurt om een schuttersfeest te organiseren. De oudst bekende schuttersbond werd in 1888 in Maasbracht opgericht. In 1896 werd de schuttersbond ‘Eendracht Maakt Macht’ voor de schutterijen in de streek rond Weert opgericht. Dit is de oudste van de huidige schuttersbonden.

De schutters van Noord-Limburg

Er bestond verschil tussen het noorden van Limburg en het zuiden. In de verschijningsvorm uitte zich dit in het feit dat in het noorden van Nederlands-Limburg de schutterijen ettelijke decennia langer in het zondagse pak zijn blijven lopen met sjerp om en pet op. Het duurde vaak tot na de Tweede Wereldoorlog eer deze schutterijen zich volledig uniformeerden. Daarentegen bleken de schuttersbonden in het noorden eerder van de grond te komen, namelijk rondom de eeuwwisseling (1900). In het noorden richtten de schutters zich voornamelijk op het schieten en wellicht dat juist dit de vorming van schuttersbonden in de hand heeft gewerkt. De bond diende aldaar met name om de schietwedstrijden te regelen.

De Belgisch Limburgse situatie

In Belgisch-Limburg zijn de schutterijen geconcentreerd in het noordoosten van de provincie, langs de Maas en in de buurt van de Nederlandse grens. Ook in andere streken van Belgisch-Limburg zijn schutterijen actief geweest met name in de zeventiende en achttiende eeuw, maar deze zijn niet allen blijven voortbestaan. Bij de Belgische schutterijen in het noordoosten, die rond de eeuwwisseling van 1900 actief zijn, zou het eveneens nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren eer deze schutterijen het zondagse pak verwisselen voor het uniform. Ook hier heeft het schieten alle aandacht. Met de bonden wil het echter niet zo vlotten, die komen na de oorlog pas definitief van de grond. Dan pas verenigen de schutterijen in noordoost Belgisch Limburg zich in schuttersbonden. Al hebben ze weinig leden en niet veel activiteiten, toch weten de Belgische schutterijen zich door deze moeilijke jaren heen te slepen.

De Zuid-Limburgse schutterijen

In het zuiden van Nederlands Limburg daarentegen zijn de meeste schutterijen rond de eeuwwisseling volledig in uniform. Deze verenigingen zweren echter langer bij het systeem van vrije schuttersfeesten, waarbij de organisator alle schutterijen uit de omgeving uitnodigt. Hierin kwam pas verandering toen na 1900 veel verenigingen van andere aard worden opgericht. Naast de schutterij en het zangkoor kwam er een harmonie of fanfare, een voetbalvereniging, een club wielrenners, een handboogvereniging, een duivenclub. Kortom elke vereniging streefde er naar zoveel mogelijk leden te werven, zodat in veel plaatsen de oude schutterijen op de tweede plaats kwamen. Een andere complicatie was de crisistijd tussen de beide Wereldoorlogen. De mensen hadden niet al te veel geld te besteden en de verenigingen konden met moeite in stand gehouden worden. De vrije schuttersfeesten leverden weinig op. Daarom werd de schuttersbond opgericht: Elkaars bondsschuttersfeesten te bezoeken en samen de moeilijke tijd doorkomen, dat was de drijfveer voor de oprichting van schuttersbonden.

De Oud Limburgse Schuttersfederatie

Door de oprichting van schuttersbonden en de diverse aanpassingen van de reglementen voor het Oud Limburgs Schuttersfeest waren al veel problemen weggenomen, toch bleven er een aantal bezwaren (onder andere Toepassing Hinderwet en Vuurwapenwet) bij de schutterijen en de schuttersbonden over. Op 6 april 1931 werd daarom in Roermond besloten tot het oprichten van een overkoepelende schuttersorganisatie, genaamd 'Limburgsche Schuttersbond'. Het zou echter tot 1937 duren vooraleer deze organisatie, inmiddels omgedoopt tot 'Federatieve bond van schutterijen in Limburg' haar werkzaamheden daadwerkelijk aanving. Door heroprichting en toetreding van twee Belgisch-Limburgse schuttersbonden in 1948, volgde wederom een naamswijziging. De nieuwe naam werd: 'De Federatie van in Nederlands- en Belgisch-Limburg gevestigde Bonden van Schutterijen, Schietverenigingen en Broederschappen'.

 

Om de schutterijen uit de beide Limburgen volwaardige leden van deze federatie te maken, werd op 4 april 1965 een reglementswijziging doorgevoerd. De federatie kreeg bij die gelegenheid haar huidige naam, namelijk: "Oud-Limburgse Schuttersfederatie" (De O.L.S.).

 

De 173 Nederlands- en Belgisch-Limburgse schutterijen met de zware buks hebben samen ongeveer 10.000 leden. Zij zijn verder georganiseerd in een van de 9 schuttersbonden. De schuttersbonden behartigen de belangen van de aangesloten schutterijen (Er zijn acht schutterijen met de zware buks in de beide Limburgen die niet aangesloten zijn bij een schuttersbond).