Schuttersgilde Sint Sebastianus Sevenum 

Sevenum is gelegen aan de rand van de Peel. Van oudsher is Sevenum een agrarisch dorp waar al in het bronzen en zilveren tijdperk sprake van enige bewoning was (gezien een aantal vondsten uit die periode). Het oudste document waarin over Sevenum wordt gesproken dateert uit het jaar 1317. Vanaf 1 januari 2010 behoort Sevenum tot de gemeente Horst aan de Maas.

 

In 1674 werd Sevenum een zelfstandige heerlijkheid. Na de komst van de Franse troepen kwam daar verandering in en werd Sevenum samengevoegd met Horst. In 1836 lukte het de inwoners van Sevenum weer om een zelfstandige gemeente te worden.

 

Vanaf 1745 werd (in beginsel nog op kleine schaal) begonnen met de ontginning van de woeste gronden. In 1938 werd de ontginning groot aangepakt, hierdoor ontstond een nieuw kerkdorp; Evertsoord (opgeleverd in 1959).

 

Heden ten dage is ruim 80% van de grond van de gemeente Sevenum landbouwgrond. De gemeente bestaat uit de kerkdorpen Sevenum, Kronenberg en Evertsoord.

 

Venlo en Tegelen liggen op een steenworp afstand. De gemeente zelf biedt rust, ruimte en recreatie. Zowel met de auto als het openbaar vervoer (Sevenum heeft een NS-station) zijn er goede verbindingen.

Het schuttersgilde

De precieze leeftijd van vele eeuwenoude verenigingen is meestal een raadsel. Gemakshalve wordt vaak een datum geprikt die genoemd wordt als datum van oprichting; al dan niet gebaseerd op bestaand archiefmateriaal. Sint Sebastianus uit Sevenum hoeft echter geen slag te slaan naar haar werkelijke ouderdom. Vergeelde, en voor leken schier onleesbare stukken bewijzen dat er in 1591 reeds sprake was van een schutterij. Bij de uitgaven van de gemeente in 1591 staat genoteerd: “Betaald aan Renken Gijsen voor dat hij met schutterij ging: 2 gulden”.

 

Het is niet duidelijk waarom Renken Gijsen in 1591 met de schutterij op stap is geweest en daar twee gulden voor heeft ontvangen. Een plausibele verklaring is dat de hulp van de schutterij werd ingeroepen om op jacht naar wolven te gaan, die in deze streek waren doorgedrongen. De schutters waren immers uitgerust met geweren. De overheid loofde voor iedere neergeschoten wolf een premie uit en schiep zodoende de gelegenheid voor leden van het gilde hun schutterskwaliteiten tegen betaling te tonen.

De volgende keer dat de melding gemaakt wordt dateert van 1630. De heer van Wittenhorst aanvaardde toen als drost van het Land van Kessel het 'voorzitterschap', de hoogste rang binnen het gilde. De leden zijn onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verplicht aan de opperheer. Nadat Sevenum in 1674 een zelfstandige heerlijkheid was geworden, kwam als nieuwe commandant de heer van Sevenum voortaan in aanmerking.

 

Het was gebruikelijk dat de schutterij in vol ornaat -met vaandel, trommen en het zilver -meetrok in de sacramentsprocessie op kermiszondag en de donderdag daaropvolgend (Sacramentsdag). Er werd blijkbaar geen beroep gedaan op de schutters ter bescherming van het Heilig Sacrament en de kerkgangers, zoals wel eens wordt gesuggereerd. Een processie was nooit het doelwit van kwaadaardig gespuis, maar wel de bezittingen op dat moment in de verlaten huizen.

 

De schutters waren niet altijd brave borsten. Dit bleek op 24 juni in het jaar 1631 toen de Heldense schutterij zich verzamelde in de plaatselijke herberg van Heinke Piggen. Terwijl de hoogmis op kermiszondag in volle gang was, dronken de schutten enkele pinten bier. Een speelman bracht muziek ten gehore, zodat sommigen zich aan een dansje waagden met 'jonge dochters' tot buiten op straat bij de kerk. Dit schoot de schout van Kessel, Hendrik Schenck van Nijdeggen tot Sevenum, in het verkeerde keelgat. Hij klaagde de Heldense schutterij aan wegens openbaar wangedrag en ontheiliging van de zondag. Er volgde een drie jaar durend proces. Getuigen van deze spraakmakende gebeurtenis waren de Sevenumse schutters Jan Rooskens en Jan Metten. Uiteindelijk moest de schout bakzeil halen in het juridisch steekspel, waarbij de HeIdense pastoor op de hand van de schutten was.

 

Tot taak van de schutterij behoorde het bewaken van dieven en ander crimineel gespuis. Let wel, het opsporen en inrekenen ervan niet. De schutten traden pas in actie als de gevangenen waren opgesloten, in Sevenum vermoedelijk in de toren van Huijs de Donck. Bij de bewaking hoorde tevens de begeleiding van de gearresteerden naar de plaats van berechting. Omdat slechts zelden van deze diensten gebruik werd gemaakt, vond de beloning in natura plaats: twee kannen bier per dag per schut. Geen vetpot, want omgerekend was dat ongeveer vier stuivers. Hulp van de schutterij werd gevraagd in incidentele gevallen. Zoals in 1632. 'Die van Brey' waagden het om turf te steken in de Sevenumse Peel, waarop de schutten werden opgetrommeld als bewakers van de veenbrandstof. Zodoende konden de Maasbreenaren de drogende turf niet ophalen en lukte het de schout het bewijsmateriaal voor de poging tot diefstal van onze buren te overleggen. Voor deze speciale dienst kreeg de schutterij 11,50 gulden.